078 619 30 68 info@steunpuntkoel.nl

Voeding en dieetmaatregelen beïnvloeden niet rechtstreeks het kankerproces wat betreft de ontregelde celdeling, de kwaadaardige tumorgroei en metastasering. Echter heeft voeding wel een belangrijke ondersteunende rol.Voldoende en goede voeding is nodig om de noodzakelijke behandelingen te kunnen doorstaan. Bij kanker is voldoende en goed kunnen eten echter niet vanzelfsprekend. Het maligne proces kan een negatieve invloed hebben op de voedingstoestand en lichaamssamenstelling. Daarnaast kunnen de behandelingen bij kanker de mogelijkheden van de patiënt om goed te eten ernstig verstoren, waardoor de voedingstoestand achteruit gaat.

Ondervoeding komt bij meer dan de helft van alle patiënten met kanker voor. Ondervoeding wordt vaak en ook in een vroeg stadium gezien bij patiënten met een pancreas-, maag-, slokdarm-, eierstok-, long-, of hoofd/halstumor. Onbedoeld gewichtsverlies is daarbij regelmatig het eerste symptoom waarmee de patiënt zich bij de huisarts meldt. Daarnaast treed ondervoeding op bij alle vormen van kanker in een vergevorderd stadium.

Ondervoeding is een ongunstige factor, onderzoek toont aan dat ondervoeding is geassocieerd met een kortere levensverwachting en/of een slechtere kwaliteit van leven. Bij voeden kan de vraag opkomen of ook de tumor wordt gevoed en voeding aanzet tot ongewenste tumorgroei. Onderzoek laat zien dat een goede voedingstoestand op zichzelf niet resulteert in een sneller groeiende tumor. De voordelen van het verbeteren van de voedingstoestand (indien haalbaar) wegen op tegen een mogelijk effect op tumorgroei.

Palliatieve zorg

Ernstig gewichtsverlies met anorexie en achteruitgang van de voedingstoestand, die kunnen uitmonden in cachexie, spelen een grote rol in de palliatieve zorg bij kanker. Als genezing niet meer mogelijk is en de ziekte voortschrijdt, is onbedoeld, ernstig gewichtsverlies met verlies van spiermassa en spierkracht een fenomeen dat zich bij 85% van alle patiënten met kanker in de periode vlak voor overlijden voordoet.

Het doel van de interventie van de diëtist is het handhaven dan wel verbeteren van de kwaliteit van leven. Het handhaven, verbeteren dan wel niet onnodig laten verslechteren van de voedingstoestand is geen doel op zich maar uitsluitend gericht op het welbevinden van de patiënt. Hierbij is ook te denken aan voedingsadviezen bij klachten als slijmvorming, verminderde passage, benauwdheid, smaakverandering, misselijkheid, verslikken, obstipatie of diarree of vermoeidheid.

De diëtist zet zich in om voeding in het juiste perspectief te plaatsen. De diëtist legt aan patiënt en naasten uit dat vermindering van eetlust en gewicht normale verschijnselen zijn in het beloop van de ziekte. Daarnaast benadrukt de diëtist dat een verslechtering van de voedingstoestand door de ziekte komt en dat dit niet aan de inzet van de patiënt of zijn naasten ligt.

Voeding is voor de naasten van de patiënt vaak nog het enige waar zij grip op hebben. Verder staan ze machteloos tegenover het beloop van de ziekte. De diëtist brengt rust en informeert patiënt en zijn naasten zodat voeding geen last wordt.